Epstein-Barr virus en MS

De rol van EBV-geïnfecteerde B-cellen

B-cellen die geïnfecteerd zijn met het Epstein-Barr virus (EBV) kunnen de activering en beweging van T-cellen veranderen.

Epstein-Barr virus (EBV) lijkt een verbinding te hebben met MS. Veel mensen zijn drager van EBV en in een klein deel van de mensen veroorzaakt EBV de ziekte van Pfeiffer.

Deze laatste groep mensen heeft een grotere kans om MS te krijgen dan mensen, die de ziekte van Pfeiffer niet hebben gehad.

Bovendien heeft iedereen met MS het virus bij zich, terwijl dit bij de gezonde populatie 95% is. EBV is een virus dat in het lichaam aanwezig kan blijven doordat het in B-cellen gaat zitten. Ondanks allerlei hints voor een rol van EBV in MS is de precieze rol van dit virus nog niet bekend.

Diermodel

In een diermodel voor MS in het penseelaapje blijkt het apen-EBV ook een belangrijke rol te spelen. Daarom is dit diermodel gebruikt voor verder onderzoek naar de rol van EBV. In dit diermodel is eerder gevonden dat als B-cellen worden verwijderd door een antistof gericht tegen het B-cel molecuul CD20, de T-cellen in de lymfeknopen blijven en niet meer bewegen naar de hersenen.

Daardoor ontstaan er in die dieren ook minder laesies in de witte en grijze stof. Tevens is gebleken dat deze dieren ook geen apen-EBV meer hadden. Er lijkt dus een verband te zijn tussen EBV-geïnfecteerde B-cellen en de T-cellen.

Onderzoekers uit Rijswijk hebben onderzocht wat er gebeurt als EBV-geïnfecteerde B-cellen gaan ‘praten’ met de T-cellen die mogelijk de ziekte veroorzaken. Hiervoor zijn gewone B-cellen uit bloed geïsoleerd en in een kweeksysteem geïnfecteerd met EBV.

Daarna zijn deze EBV-B-cellen toegevoegd aan T-cellen geïsoleerd uit lymfeknopen van apen met apen-MS. Na een paar dagen zijn deze T-cellen onderzocht voor markers die betrokken zijn bij de activatie en de beweging van lymfeknopen naar de hersenen.

Het blijkt dat EBV-B-cellen en T-cellen met elkaar communiceren. Daardoor maken de T-cellen meer ontstekingsbevorderende eiwitten aan. Tevens vertonen de T-cellen markers waardoor de T-cellen naar de hersenen kunnen bewegen.

De onderzoekers tonen hiermee aan dat EBV de normale communicatie tussen B-cellen en T-cellen verandert. Dit zou een mogelijke rol van EBV in auto-immuniteit kunnen zijn, maar het zou ook een neveneffect kunnen zijn. Daarom is verder onderzoek nodig.

Bron: Dunham J, van Driel N, Eggen BJ, Paul C, ‘t Hart BA, Laman JD, Kap YS. Clin Transl Immunology. 2017 Feb 10;6(2):e127.

Samenvatting: https://www.ncbi.nlm.nih.gov/pubmed/28243437

Advertenties

Kuur gehad

kuur

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Afgelopen maandag ben ik naar de VU geweest voor een 3 daagse Prednisolonkuur. Stootkuur ook wel genaamd. Helaas zat ik weer in een schub 😦 en aangezien ik mijn armen slecht kon bewegen, dacht ik hmm laat ik de VU maar even contacten.

Een arts assistente hielp me én overlegde met (toevallig) mijn eigen neuroloog. Die gaf aan dat ik over 6 weken bij hem moest komen én dat ik moet nadenken over andere medicijnen 😦

Nu eerst maar de Prednisolon zijn werk laten doen én dan denken over andere medicijnen

 

Fampridine verbetert niet alleen looptest

Italiaanse onderzoekers hebben aangetoond dat 4-aminopyridine of Fampridine niet alleen de loopsnelheid van MS-patiënten verbetert, maar dat er ook neurofysiologische en radiologische effecten te zien zijn.

De onderzoekers pleiten ervoor om niet alleen met een looptest te beoordelen of dit medicijn effect heeft, maar om meerdere parameters te bekijken.

Fampridine of 4-aminopyridine (4-AP)  is een medicijn dat kalium-kanalen blokkeert, waardoor de zenuwgeleiding in zenuwen waarvan de myeline is aangetast verbetert. De loopsnelheid bij mensen met MS kan hierdoor worden verbeterd.

Om te beoordelen of de medicatie werkt, wordt meestal alleen gekeken of de loopsnelheid tijdens een korte looptest verbetert. Als iemand 20% verbetering laat zien qua loopsnelheid, wordt aangenomen dat deze persoon positief reageert op de behandeling (een ‘responder’). In verschillende onderzoeken was 40% van de patiënten een ‘responder’.

Italiaanse onderzoekers keken nu niet alleen naar de loopsnelheid, maar juist naar een heel scala van uitkomsten, om zo beter te kunnen begrijpen hoe 4-AP werkt en wie er goed reageert op het medicijn. Ze onderzochten klinische, subjectieve, neurofysiologische en neuroradiologische parameters. 23 mensen met MS (RR-, SP- en PP-MS met een EDSS-score tussen de 4 en 6.5) deden mee aan het onderzoek.

Voor aanvang en na 14 dagen gebruik van 4-AP (2 maal daags 10mg) zijn de volgende parameters gemeten:

  • Klinisch: Timed 25-Foot Walk: Een test die de loopsnelheid meet over een parcours van 25 feet (7,62 meter) en de Timed Up-And-Go test: Dit is een mobiliteitstest waarbij de snelheid van opstaan, stukje lopen, omkeren en weer gaan zitten gemeten wordt.
  • Subjectief: MS Walking Scale-12: een vragenlijst waarbij de patiënt zelf aangeeft hoe het lopen de afgelopen tijd ging.
  • Neurofysiologisch: Motor Evoked Potentials (MEPs:) Het meten van de reactie van een spier; in dit geval van een voetspier (de Abductor Hallucis; deze spier beweegt de grote teen naar buiten)
  • Neuroradiologisch: (Diffusion Tensor Imaging – DTI): een variant van MRI waarbij de witte stof banen in beeld worden gebracht.

Voor de hele onderzoeksgroep tezamen vonden de onderzoekers significante verbeteringen op alle gemeten parameters. Daarna analyseerden ze de ‘responders’ (minstens 20% verbetering op de Timed 25-Foot Walk) en ‘non-responders’ (minder dan 20% verbetering) apart.

Opvallend genoeg vertoonden zowel de responders als de non-responders een significante verbetering op de klinische en subjectieve items. De neurofysiologische en neuroradiologische parameters waren alleen significant verbeterd bij de responders.

De onderzoekers tonen hiermee aan dat ook neurofysiologische en neuroradiologische parameters kunnen verbeteren door middel van 4-AP. De meeste patiënten geven zelf ook aan dat zij een motorische verbetering merken. De onderzoekers pleiten dan ook voor het gebruik van meerdere, verschillende parameters, naast het meten van de loopsnelheid, om zo de werking van 4-AP bij mensen met MS beter te kunnen beoordelen.

Bron: Brambilla L, Rossi Sebastiano D, Aquino D, Torri Clerici V, Brenna G, Moscatelli M, Frangiamore R, Giovannetti AM, Antozzi C, Mantegazza R, Franceschetti S, Bruzzone MG, Erbetta A, Confalonieri P; Milan, Italy. Journal of the Neurological Sciences 368 (2016) 402-407

Samenvatting: http://www.ncbi.nlm.nih.gov/pubmed/27538672

Bron: MSweb

Bewaren